Wat is heilig?

Een woordenboek zegt: „’heilig’ is een bijvoeglijk naamwoord en betekent: volmaakt, zonder zonde“. Maar omdat het een bijv. naamwoord is, wordt het gebruikt in combinatie met een zelfstandig naamwoord. Soms moet je dat er bijdenken. Het werkwoord: „heiligen“ betekent apart zetten. Heiliging is een zelfstandig naamwoord en duidt een proces aan: het apart zetten.

Het woord ‘heilig’ zegt dus in feite niets over ten opzichte waarvan iets heilig (of apart gezet is). Ook zegt het niets over het onderwerp zelf dat geheiligd is, daarentegen zegt het wel iets over de mate van ‘apart gezet zijn’. Daarom duidt heiliging een proces aan dat uiteindelijk resulteert in het ‘heilig’ zijn. Heilig betekent dus ten diepste ‘volkomen (geheel) apart gezet’. Als we het over God hebben, dan geldt dat Hij heilig is. De mate van heiligheid van God kan natuurlijk niet worden gemeten. Dus als men de omvang van Gods heiligheid wil aanduiden, past de Schrift een trucje toe; ze zegt dan: God is heilig, heilig, heilig. Drie is het getal van de volmaaktheid. 

Uitgaande van wat ik hiervoor heb gezegd, is God ‘volkomen apart gezet’. De vraag dringt zich echter op: Waarvan is God apart gezet? Dat heeft weer te maken met onze visie op God. God Zelf kan natuurlijk niet apart worden gezet, maar wij kunnen dat wel in onze woorden belijden. We belijden dan dat God heilig, heilig, heilig is, als het gaat om alles dat niet bij God hoort. Met andere woorden: wij belijden dat God volkomen gescheiden is van alles dat niet bij God hoort.

Dit voegt dus een betekenis toe aan het woord Heilig als het om Gods karakter (Zijn diepste wezen) gaat: Hij is absoluut zonder enige onvolkomenheid; Hij is volkomen licht en zonder enige duisternis. Als we dus Gods Naam (Zijn karakter) belijden, dan kennen we Hem niets toe dat niet bij Zijn karakter hoort. Dus: „geheiligd is Uw Naam“.

Als we het over de heilige Geest hebben, hebben we het niet over een naam, maar over een Geest die uit God voortkomt. En omdat God zelf heilig is, is ook de Geest die van Hem uitgaat, heilig: dus de heilige Geest. Deze specifieke aanduiding, onderscheidt de heilige Geest van elke andere geest, die niet volkomen heilig is. Soms wordt dit onderscheid ook in de context duidelijk en kunnen we volstaan met ‘de Geest’.

De mens is van nature niet heilig, dat wil zeggen: niet zonder vlek of rimpel, volmaakt of volkomen licht. Dat kan hij echter wel worden: door het werk van de heilige Geest. De mens kan van nature echter niet de heilige Geest ontvangen. De heilige Geest komt van God. Maar God is zo heilig, dat een contact tussen de zonde van de mens (die van nature onlosmakelijk met hem is verbonden geraakt), onmiddellijk zou resulteren in een kortsluiting; het zou die mens het leven kosten. Vandaar dat iedere zondige mens, die puur en geheiligd voor God wil verschijnen, de zondeloze, Jezus Christus nodig heeft. Deze fungeert als een soort buffer (de Bijbel spreekt van Middelaar) tussen de zondige mens en God. Als een mens zich dan bekeert tot Jezus Christus (want hij kan niet rechtstreeks naar God), vangt Hij als het ware de zondigheid van die mens op en zorgt er tevens voor, dat de Geest van God het proces van heiliging in die mens kan beginnen. 

De mens, die zijn leven volkomen op Hem vertrouwt wordt dan geheiligd. Dat proces gaat door totdat hij de volmaaktheid bereikt. Zoals de Hebreeën-schrijver zegt in 2:11-13 (NBG1951) „Want Hij, die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit één; daarom schaamt Hij Zich niet hen broeders te noemen, en Hij zegt: Uw naam zal ik aan mijn broeders verkondigen, in het midden der gemeente zal ik U lofzingen; en wederom: Ik zal op Hem vertrouwen, en wederom: Ziehier ik en de kinderen, die God mij gegeven heeft.“ 

In deze tekst leen we over Christus/de Geest die heiligt; zij die geheiligd worden, de in Christus geborenen; over de eenheid van Christus met de gelovigen, die zich voortdurend aan Hem hechten; de wijze waarop de heiliging plaatsvindt: „Uw naam zal ik aan mijn broeders verkondigen, in het midden der gemeente zal ik U lofzingen; de reden waarom Hij hun heiliger kan zijn: en wederom: Ik zal op Hem vertrouwen“ en de relatie van Christus en de Zijnen (de Gemeente, Zijn Lichaam) met God als Vader: „Ziehier ik en de kinderen, die God mij gegeven heeft“.

Op deze manier heeft God de Vader voor een manier gezorgd om Zijn doel met de mens te bereiken: een eindeloos volk bestaande uit geheiligde en rechtvaardige mensen, waarin Hij hoogstpersoonlijk zijn heiligheid ten volle kan laten zien: de Zonen Gods.