Vertel ons eens wie God is?

Als je vraagt: “vertel ons eens wie God is?” Vraag je eigenlijk het onmogelijke; iedereen geeft namelijk zijn interpretatie weer, dus hoe HIJ God ziet of ervaart. Je krijgt dan vanzelf allerlei meningen die tegenover elkaar komen te staan en elkaar bestrijden. Precies dat wat al vanaf het eerste antwoord op de topic-vraag gebeurt. Ik vermoed dat dit dan ook precies de bedoeling is van de vraagsteller; hij wil namelijk niet weten wat het antwoord is (wie is God), maar de verdeeldheid tussen christenen onderling aantonen.

De vraag “wie is God” kan dus alleen maar beantwoord worden, door Degene die God, werkelijk en zonder beperking, kent. Diegene is Jezus Christus. Dus wil je werkelijk weten wie God is, zul je dat Hem moeten vragen. Er is echter één beperkende factor: Je moet wel geloven dat Hij de enige is die God aan jou bekend kan maken. Maar als je het dan aan Hem vraagt, weet je meteen wat de Waarheid is.

Er is echter geen tegenspraak, want de Schrift bedoelt met  geloven een zeker weten. Maar dat zeker weten ontstaat alleen maar als het geloof betrekking heeft op de Waarheid. En, zoals je weet, is Jezus Christus de Waarheid; in Hem komt het tijdelijke en het eeuwige samen.

Dat begrip, die zekerheid, is niet weggelegd voor iemand die buiten Christus om ‘gelooft’. Het aanvaarden van ‘een’ waarheid zal dus niet resulteren in het soort geloof dat de Schrift bedoelt. Dat komt omdat ‘een’ waarheid (zoals de wereld die altijd bedoelt) uiteindelijk vervalt en verdwijnt; ‘de’ Waarheid, die Christus belichaamd, blijft voor eeuwig.

Als je dus het karakter van Schriftuurlijke geloof en Goddelijke Waarheid, van toepassing verklaart op dat wat we met natuurlijke zintuigen waarnemen en ervaren, ontstaat een niet overbrugbare tegenspraak. Want dat wat van God is, is niet dat wat van de mens is. 

Net als de tegenspraak, is ook de vicieuze cirkel het gevolg van het vermengen van twee in essentie verschillende basisbegrippen: het menselijke, natuurlijke en het Goddelijke, geestelijke. Het eerste gaat uit van het normale menselijke geloof en waarheidsbegrip. Het tweede gaat uit van het Schriftuurlijke geloof en het Goddelijke Waarheidsbegrip.

Het punt is dat je hier geloof en zekerheid per definitie gelijkwaardig maakt. Dat is echter niet zo. Het geloof waar de Schrift over spreekt, wordt pas zekerheid als de Waarheid de menselijke geest en verstand die (zekerheid) geeft. De Waarheid bevestigt zichzelf, zou je kunnen zeggen.

Vandaar dat ik de link leg met Jezus Christus. Ik kan een voorbeeld geven:

Stel dat ik tegen je zeg, 

  1. dat de directeur van de Rabobank 100 miljoen voor jou heeft klaarliggen, maar dat je die pas krijgt;
  2. als je een briefje hebt ondertekent dat je hem (de directeur) gelooft.
  3. Dat briefje krijg je van de directeur zelf, maar echter pas als je eerst bereid bent je eigen vermogen (al je bezit) weg te geven.

Punt 1 (dat voor waar aannemen) doe je vanuit je menselijk geloof. Punt 2 (het ondertekenen van dat briefje) doe je als je Goddelijk geloof ontvangt. Punt 3 brengt de zekerheid die voortkomt uit het door God gegeven geloof.