Over: Geest en Licht

Je omschrijft God op een manier die, naar mijn mening, schromelijk te kort schiet. Ik denk zelfs dat geen mens ooit in staat zal met woorden of redenaties, Gods eeuwige kracht en goddelijkheid, zelfs maar in beginsel te omschrijven, laat staan dat hij aan het wezen van God zelf toekomt.

Toch zegt Jezus ergens:

  • „Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren en mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen“.

Als je zegt: ‘God gebruikt Zijn eigen geest dus om te scheppen en met ons te zijn. Wij ervaren dat als een kracht”, dan heb je het duidelijk niet over hetgeen waar Jezus over spreekt. Jezus geeft aan dat dit ‘wonen’ wordt gerealiseerd door de Heilige Geest (waarvan ik je al zei dat dit óók God is!): 

  • „En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn“

en

  • „Te dien dage zult gij weten, dat Ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u.“

De Heilige Geest bouwt aan de inwendige mens van de gelovige die Zijn Geest ontvangt:

  • „maar de Trooster, de heilige Geest, die de Vader zenden zal in mijn naam, die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb.“

God woont in Zijn volheid in Christus; Christus woont door de Heilige Geest in degene die deel hebben aan Hem; de Vader die in Christus is, woont daarmee dus ook in hen. Maar dit alles is lastig uit te leggen aan iemand die alleen kan denken in argumenten en tegenwerpingen. Maar als de Geest van God Zich met de geest van een mens verbindt. Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn:

  • „Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn“.

dan ontstaat daar een soort van zekerheid die aan iemand, die die ervaring niet heeft, niet kunt uitleggen: 

  • „Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest Gods. Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is“.

Natuurlijk impliceert dit alles niet dat we God dan helemaal kennen, maar we zijn (als we deel hebben aan de Heilige Geest) onderweg:

  • „Maar, gelijk geschreven staat: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben. Want óns heeft God het geopenbaard door de Geest. Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods.“