Een onmetelijk bewijs?

Een onmetelijk bewijs, dat iedereen overtuigt

Stel, er is onmetelijk bewijs gevonden dat God niet bestaat en dat jij en iedereen overtuigd zijn van dit bewijs, wat zou dat met jou persoonlijk doen, als gelovige?

vraagsteller 1

De vraag bestaat uit twee drogredenaties en kan derhalve nooit worden beantwoord.

De eerste drogredenatie is de stelling dat er een onmetelijk (niet te meten) bewijs kán worden gevonden. Dat is onmogelijk. Een objectief bewijs kan niet onmetelijk zijn, want dan is het geen bewijs. Onmetelijk wil zeggen, dat het bewijs niet te controleren valt. Het bewijs vervalt dan tot iets dat je aanneemt (gelooft!).

De tweede is de stelling dat „ik en iedereen overtuigd zijn van dit bewijs“ een drogredenatie. Dit is om twee redenen niet waar: ten eerste omdat het uitgangspunt (het onmetelijke bewijs) per definitie onwaar is en mij dus om die reden al niet kan overtuigen en ten tweede dat geen enkel door mensen geleverd bewijs (objectief of subjectief) van invloed is op mij, als gelovige.

Dat laatste staat in verband met het feit, dat het objectieve bestaan – of niet-bestaan van God door geen enkel (op logica) gebaseerd bewijs, kan worden gestaafd.

Zelfs al zou iemand alle beschikbare plaatsen doorzoeken en onderzoeken en vervolgens tot de conclusie komen, dat God niet bestaat, kan ik altijd een plek aanwijzen, waar hij nog niet is geweest (en waarschijnlijk óók niet kan komen).

Iemand gaf op bovenstaand een reactie:

U hebt bezwaren bij de vraagstelling en legt deze omstandig uit in uw antwoord. Ik denk dat dit uw goed recht is. Maar achter de misschien ongelukkige formulering gaat denk ik wel een legitieme vraag schuil: stel dat u (hypothetisch) geconfronteerd zou worden met een redenering/bewijsvoering/gegeven/observatie die u ervan zou overtuigen dat God niet bestaat, hoe schat u dan de psychologische impact in die dit zou hebben? Het zou fijn zijn als u hier ook op in kon gaan.

vraagsteller 2

U gaat uit van de hypothese dat een confrontatie “met een redenering/bewijsvoering/gegeven/observatie” mij zou kunnen overtuigen van het niet-bestaan van God. Dat is echter onmogelijk want het komt NIET overeen met waarvan ik reeds (zonder redelijk/menselijk bewijs) overtuigd ben. Dit soort (existentiële) overtuigingen kan nooit worden weerlegd. 

Ik zou dus altijd twijfelen aan “de redenering, de bewijsvoering, het gegeven of de observatie”, zelfs als die laatste mijn eigen observatie zou zijn; ik zou eenvoudig mijn eigen ogen/oren/intellect niet ‘geloven’.

In feite is de Enige die mij zou kunnen overtuigen van het niet-bestaan van God, God zelf. Maar, zoals u natuurlijk logischer wijs wel zult inzien, is ook dat onmogelijk. Want zelfs al zou ik de aanwezigheid van God niet meer geloven (vanwege teleurstelling of iets dergelijks), dan kan ik op redelijke gronden natuurlijk niet het bestaan van God ontkennen; ik ‘ervaar’ Hem niet meer, maar dat op zich ‘ontkent’ niet Zijn bestaan.

Ik schat de psychologische impact dus, in mijn geval, op nihil.