God spreekt alléén nog in Christus?

Iemand schreef mij naar aanleiding van mijn weergave van de tekst in Hebreeën 1:1-4 een reactie op de website. De opmerkingen, die hij maakte zijn voor mij van belang, omdat deze mij in de gelegenheid stellen mijn eigen visie op punten, opnieuw tegen het licht te houden. Paulus adviseert: “Toets alles en behoud het goede”. Dat wil ik bij deze van harte in de praktijk brengen.

De schrijver van het bericht trapt af:

Je site begint al met een merkwaardige opmerking: “God spreekt sinds de komst van Yeshua nu alleen door Hem….. Dat ontleen je dan aan Hebr. 1:1-4 , maar dat staat er helemaal niet!

U heeft gelijk, dat staat er inderdaad niet. De door mij geschreven tekst (Deze tekst stond op mijn ‘oude’ website; inmiddels heb ik wee een nieuwe) zelf is in feite een interpretatie. Ik heb inmiddels het bijschrift gecorrigeerd in: “vrij naar Hebreeën 1:1-4″. Maar de gedachte in de titel: “God spreekt alleen nog in Christus…” handhaaf ik. Het is mijn vaste overtuiging, dat God wel degelijk alleen nog door of via de Zoon tot ons spreekt. Maar laten we eens zien wat onze tekst dan wel zegt:

  • Hebrews 1:1a (HSV) Nadat God voorheen vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had door de profeten,…

Het eerste gedeelte vertelt ons, dat God voorheen, dat wil zeggen: in het verleden en vóór de komst van Christus, tot de vaderen, van het volk Israël, die de belofte hebben gehoord via de profeten, vele malen en op vele wijzen heeft gesproken.

Hier wordt niet gezegd, dat God via de wet heeft gesproken, maar wel via Mozes, want Hij was ook een profeet. Dat wil echter niet zeggen, dat de wet woordelijk door God aan de vaderen bekend is gemaakt. Zelfs de 10 geboden, die door God zelf op steen waren gezet, zijn niet door God rechtstreeks bekend gemaakt, maar door bemiddeling van Mozes. Maar zelfs als God rechtstreeks in de wet zou hebben gesproken, had elke Israëliet er alsnog een eigen draai aan gegeven: net zoals nu in feite nog steeds gebeurt. Denk aan, bijvoorbeeld, de Midrasj, de Misjna en de Talmoed.

Het zijn de profeten, die de woorden van God, die rechtstreeks tot hen kwamen, voor het Israël van hun dagen, interpreteerden en als het Woord des Heren doorgaven. Ook de wet zelf is als geheel een bij het volk Israël passende interpretatie van de uiteindelijke wil van God voor alle mensen: “Gij zult God liefhebben boven alles en de naaste als jezelf”.

  • Hebrews 1:1b (HSV)heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon, …

Het spreken via de profeten is gestopt, want er is nu nog maar één profeet. En het is via deze profeet, de Zoon, via Wie God nu zijn Woord tot ons richt. Let op het verschil met het eerste gedeelte van de tekst: de vaderen. Hieruit is te verstaan, dat de profeten het woord specifiek tot de vaderen (de tijdgenoten van de profeet zelf) richtte. Al het spreken tot de vaderen is sinds Christus vervuld in Christus; sindsdien kan God tot ons spreken via de Zoon. Het ‘heeft gesproken’ duidt er op, dat God sinds de komst van de Zoon geen nieuwe woorden meer spreekt. Het spreken van God in onze tijd is in feite een herhalen van dat wat Hij reeds via de Zoon heeft gesproken.

Het gaat me nu te ver om alle Schriftplaatsen aan te halen, die dit principe “God spreekt nu enkel nog door de Zoon” bevestigen. Maar daar ging het niet om. U kritiek betrof mijn interpretatie van deze eerste tekst uit Hebreeën.

U zegt dan:

JHWH gaat door met Zich te openbaren door de schepping, door Zijn hele Woord, dus ook door de Tenach.

God ‘openbaart’ zich niet in de schepping; het enige wat van God gekend kan worden (in de zin van begrijpen) is met name én Zijn eeuwige kracht én Zijn Goddelijkheid. Dit zijn eigenschappen of globale kenmerken. Die maken echter God, als Persoon, niet bekend, zoals de Zoon dat doet. Daarom zegt Johannes in zijn evangelie John 1:18 (NBG1951) Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen. Zelf zegt Jezus: “Ik heb Uw Naam bekend gemaakt”. Wanneer Hij de naam van God (de innerlijke identiteit én autoriteit) bekend maakt, weet je daarna werkelijk wie God in wezen is.

God openbaart zich ook niet door Zijn hele Woord. U bedoelt daarmee ongetwijfeld de Schrift. De Schrift openbaart echter niet, want alles is open voor interpretatie. Als dat niet zo was, konden we er nooit zo over spreken, zoals we dat nu wel doen.

De Schrift getuigt echter en dat niet van God, maar van de Zoon. Jezus zegt hierover in John 5:39-40 (HSV) “U onderzoekt de Schriften, want u denkt daardoor eeuwig leven te hebben, en die zijn het die van Mij getuigen. En toch wilt u niet tot Mij komen opdat u leven hebt”. Jezus zegt dus, dat je de Schrift kunt hebben, maar toch ongehoorzaam kunt zijn. Het zou goed zijn, als iedereen die de Schrift het Woord van God noemt, dit zou beseffen. Dat wat men de waarheid noemt is niet meer dan een interpretatie. Overigens is de gehele kerkgeschiedenis is het resultaat van allerlei verschillende interpretaties, die stuk voor stuk als de enige waarheid aan de betreffende! Kerken zijn opgelegd.

Maar ook de Tenach geeft geen openbaring van God. We lezen in de Tenach wat God doet en spreekt tot het volk Israël, maar we leren Hem niet in zijn wezen kennen. Daarom lopen de visie’s op de Godheid zo uiteen. Vandaar de opmerking van Johannes: Niemand heeft ooit God gezien, dat wil zeggen: met een verlicht hart. Degenen die de wet ontvingen, het volk Israël in de woestijn, waren met een ongehoorzaam hart uit Egypte gekomen en daardoor waren ze stekeblind voor welke openbaring van God dan ook. Ze waren zelfs bang voor God, want ze verzochten Mozes om als tussenpersoon op te treden.

Het is juist om deze reden, dat Mozes hen de wet gaf, want ze wilden niet samen met Mozes voor het aangezicht van God verschijnen. Juist, omdat ze blind waren en een vet hart hadden, kregen ze de wet als alternatief, zodat ze in het gareel konden blijven, totdat de Profeet zou komen, die Mozes al aankondigde: Deuteronomy 18:15-16 (NBG1951)Een profeet uit uw midden, uit uw broederen, zoals ik ben, zal de HERE, uw God, u verwekken; naar hem zult gij luisteren. Juist zoals gij van de HERE, uw God, gevraagd hebt op Horeb, op de dag der samenkomst, toen gij zeidet: Ik wil niet langer de stem van de HERE, mijn God, horen en dit grote vuur niet langer zien, opdat ik niet sterve.” Let ook vooral op vers 16: ze hoorden (en zagen) de stem van God als donder en vuur. Dus van enige openbaring, zoals de Zoon openbaart, was geen sprake.

Ik lees veeleer in de hele Bijbel, dat JHWH alles vooraf weet en doet wat Hij vooraf al bekend heeft gemaakt. Zie daarvoor ook bijv. Jes. 46:9-13. JHWH heeft alles bedacht, het loopt onze hemelse Vader nooit uit de hand, Hij volbrengt Zijn plan en daarbij hebben alle mensen de vrije keuze om aan dat heil deel te krijgen.

Ik kan hier op zich niets tegen inbrengen, maar ook hier wordt niet gezegd, dat God Zichzelf hier openbaart, maar wel Zijn werken. En die werken, kondigt Hij weer aan via zijn profeten, die vervolgens het volk hiervan weer op de hoogte brachten. Het enige dat ik hier, samen met u, kan concluderen, is dat God doet wat Hij zegt. Overeind blijft echter dat niemand ooit God heeft gezien, laat staan Hem heeft doen kennen, zoals de Zoon Hem óns doet kennen

Hebr. 1:1-4 zegt dat ook, “vroeger, nu” , maar jij maakt er dan van, dat “vroeger” vervallen is en dat alleen het “nu” van Christus telt. Het is niet of/of , maar en/en.

Wat ik uit deze opmerking begrijp, is dat ik er van maak dat “vroeger” vervallen is. Ik ben echter die mening niet toegedaan. Nog steeds spreken de oudtestamentische profeten de woorden van God, zij het in een gestolde vorm. De vraag is echter: maar wat zéggen ze dan met die woorden? Het antwoord is: Opnieuw getuigen ze van Christus. Petrus zegt hierover in 1 Peter 1:11-12 (NBG1951) “terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna. Hun werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn”.

Op grond van dat getuigenis geldt nu voor ons dat wat 1 Peter 1:8-9 (NBG1951) zegt: “Hem hebt gij lief, zonder Hem gezien te hebben; in Hem gelooft gij, zonder Hem thans te zien, en gij verheugt u met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde, daar gij het einddoel des geloofs bereikt, dat is de zaligheid der zielen”. De profeten spraken van de Christus, Die in het laatst der dagen de zaligheid der zielen beschikbaar maakt. En dát is nu precies hetgeen God in het laatst der dagen in de Zoon tot ons spreekt: 1 Peter 1:10 (NBG1951)Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben”,

Mijn vraag is dus aan u: “Kunt u zich voorstellen, dat een gelovige, als hij eenmaal met deze genade bekend is geworden, geen interesse meer heeft in wat de profeten nog te ‘openbaren’ hebben? Immers, ze spreken over iets, dat nu IN Christus realiteit is geworden?”

Echter: heeft iemand die genade niet leren kennen? Dan is het wellicht tóch wijs om (alsnog!) te luisteren naar de profeten. Wat dus impliceert, dat het Oude Testament nog altijd van waarde is, al was het maar dat ook die Schrift van Christus blijft getuigen. Het is echter een misvatting om te denken, dat God door de Schrift aan ons Zijn oudtestamentische Tora bekend maakt.

Het gaat om JHWH, Hij verscheen vaker op aarde, als Geest, met Zijn Stem, in Persoon bij Abraham, Jacob, ouders Simson, bovenal in Yeshua.

God ‘spreekt’ tot de vaderen in de profeten. Dus daarmee is alles gezegd, met betrekking tot het Oude Verbond. En wat de ‘verschijningen’ aangaat. Als God zich laat zien, zijn het engelen die Hem vertegenwoordigen (Heb.2:2). Ook hier geldt weer dat niemand ooit God heeft gezien.

En Yeshua is dan uiteindelijk “de enige weg tot JHWH”. Hij is niet JHWH , maar wel de afbeelding, afstraling van JHWH, ook weer Hebr. 1:1-4 , in de zin van “JHWH zonder Goddelijke heerlijkheid” Ph. 2:5-11 en die verschijning benoemt de Bijbel als “de eniggeboren Zoon”, als “sprekend gelijkend op de Vader, spiegelbeeld”

Als ik in Hebr. 1:3 (HSV) lees, dat Jezus, “Die de afstraling van Gods heerlijkheid is en de afdruk van Zijn zelfstandigheid, Die alle dingen draagt door Zijn krachtig woord, heeft, nadat Hij de reiniging van onze zonden door Zichzelf tot stand had gebracht, Zich gezet aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen”, dan lees ik hier niet simpel “spiegelbeeld”, maar over “Iemand die de afstraling van Gods heerlijkheid ís”. De tekst geeft hier het wezen van Christus aan. De inhoud van dat wezen is het gevolg van de reflectie van Gods heerlijkheid. Je zou ook kunnen zeggen: Jezus is zelf in het diepst van zijn wezen, de heerlijkheid van God. Dat verleent Hem, die intrinsieke Koninklijke status, die Hem maakt tot wat Hij is.

Hij weerspiegelt niet alleen Gods heerlijkheid; Hij ís Gods heerlijkheid. Zoals er ook staat in Colossians 1:19 (NBG1951) “Want het heeft de ganse volheid behaagd in Hem woning te maken,”. De eenheid met de Vader is onlosmakelijk (voor eeuwig) en om die reden heeft het maken van onderscheid, tussen Hem en de Vader, absoluut geen nut meer. De Vader heeft de Zoon alles in handen gegeven; het maakt dus inhoudelijk en formeel niet meer uit met wie van de twee je zaken doet.

In dit verband wil ik tevens wijzen op het tweede aspect dat de schrijver van Hebreeën noemt: Christus is tegelijkertijd de afdruk van Zijn zelfstandigheid. God heeft Christus het mandaat gegeven om zelfstandig namens Hem op te treden. Dat mandaat is gestempeld (bekrachtigd door de Hoogste autoriteit) en wel door God zelf. Hij draagt daarmee de volledige autoriteit op zijn Zoon over. Het zelfstandige optreden van Christus wordt bekrachtigt doordat God zelf, zijn heerlijkheid niet alleen in Christus plaatst (de afstraling van Gods heerlijkheid), maar ook proclameert (luister naar Hem, zie Luke 9:35): je ziet niet alleen God in Christus; je ervaart Hem ook wanneer je met Jezus in contact komt. De heerlijkheid van Christus is dus zowel mandaat als ook kracht. Kracht, die Hem hoogstpersoonlijk door God de Vader wordt verleend. Vandaar: Wie Mij ziet, ziet de Vader.

In Philippenzen 2 gaat het echter weer om een ander aspect van Jezus’ werk hier op aarde. De centrale gedachte is daar niet zozeer de inhoud van de gestalte (de Koninklijke waardigheid) van Jezus, maar de gezindheid (de innerlijke motivatie) die Hij had. Ik hoop dat u begrijpt, dat dit artikel geen ruimte meer biedt om daar verder over uit te wijden.

Q

Neem contact op met de beheerder

U kunt onderstaand formulier gebruiken voor uw vraag, opmerking, correctie of aanvulling. Als uw bericht een specifiek artikel betreft, vergeet dit dan niet te vermelden. Indien u persoonlijk antwoord wilt ontvangen, geeft u dan u e-mailadres op. Uw bericht wordt dan niet op de website behandeld.
NB: Uw e-mailadres wordt niet door mij bewaard en ALLEEN gebruikt als u een persoonlijk antwoord wenst. Uw vraag/opmerking komt alleen bij mij terecht.

Neem contact met me op

Wilt U reageren op dit artikel?

Als u een reactie wilt geven of een gesprek wilt starten over wat u in dit artikel heeft gelezen, dan vraag ik u een account aan te maken en in te loggen.

Heeft u reeds een account dan kunt u hieronder inloggen. Geen account? Hier kunt u registeren.

Voordat u een account aanmaakt ....

Het account is bedoeld om u in de gelegenheid te stellen te reageren op artikelen. Dit is een service aan mijn lezers. Ik ga er derhalve vanuit, dat áls u een account aanmaakt, u óók reageert op een artikel.

Iedere bezoeker kan een account aanmaken. Maar aan ‘werkeloze’ abonnee’s heb ik geen behoefte. Een dergelijk ‘stille’ abonnee zal dan ook, meestal na 48 uur, van mijn website worden verwijderd. Als u binnen 48 uur een reactie schrijft op een artikel, zal uw account uiteraard niet meer worden verwijderd, tenzij u daarom verzoekt of uzelf via uw admin-paneel verwijdert.

Ik ben op zoek naar zinvolle en constructieve reacties en niet naar potentiële spammers.

Q

Login voor reacties en gesprekken